
Ik houd mijn eenden in een groot gemeenschappelijk perk, waar een tiental van de hiernaast vermelde soorten in relatieve harmonie samenleven (in de broedperiode is er soms wel eens een opstootje, maar nog nooit problemen gehad).
1. Huisvesting
2. Voedsel
3. Kweek
3.1. nestkastjes
3.2. leggen van eieren
3.3. uitkomen van de eieren
3.4. kortwieken of leewieken
3.5. ringen
3.6. geslachtsbepaling
1. Huisvesting :
Ik houd mijn dieren op een groot grasperk met vijvertje en nachthok (dit wordt echter bijna nooit gebruikt, enkel bij zeer koud weer in de winter durven bepaalde soorten zoals de roodschoudertalingen hier wat beschutting zoeken).
Langs twee zijden is het perk volledig omsloten. Langs één zijde met klimop en een beukenhaag, langs de andere zijde met een hazelnoten "haag". Op deze manier wordt de wind een stuk opgevangen en zijn er schuil- en broedgelegenheden voor de eendjes.

2. Voedsel :
Basismengeling van Versele-laga eendekorrels aangevuld met graanmengeling voor kippen en wat oud brood.
Jongen krijgen eveneens Versele laga opkweekkorrels, aangevuld met groeimeel gedurende de eerste twee weken. Het voordeel van Versele-laga is dat je verschillende korrels hebt, aangepast aan het seizoen : nl. kweek, onderhoud, groei,...

3. Kweek :
3.1. Nestkastjes :
Kweken met siereendjes betekent dat je ook nestkasten nodig hebt, de meeste soorten zijn immers holenbroeders die in de natuur hoog in de bomen nestelen. Ik gebruik verschillende modellen , zowel in beton als in hout zodat ze kunnen kiezen.
Als onderlaag gebruik ik steeds houtvezel (type dat verkocht wordt als vloerbedekking voor cavia's en konijnen), de eenden mengen dit steeds met dons om hun eieren goed warm te houden.
Eenmaal de eendjes in broedstemming komen, worden de nestkasten continu aan inspectie onderworpen. Een koppeltje zal verschillende kastjes inspecteren vooraleer een definitieve keuze te maken. Bij mij is het zo dat bepaalde koppeltjes een vaste voorkeur hebben en jaar na jaar dezelfde nestkast kiezen, andere veranderen elk jaar van kast.
Verschillende types nestkastjes :

Standaard afmetingen voor eenden zoals mandarijn, manengans, roodschouder, marmertaling,...

3.2. Leggen van de eieren :
Eenmaal de nestkast gekozen begint de leg, de meeste soorten leggen dagelijks, sommige durven wel eens een dagje overslaan. Eenmaal het legsel voltallig beginnen ze te broeden. Tijdens het broeden wordt er dons geplukt zodat er samen met wat houtvezels een donsdekentje gevormd wordt waarmee ze de eieren afdekken als ze het nest verlaten om te eten en hun behoefte te doen. Broedduur vind je terug bij de verschillende soorten, maar is meestal tussen de 24 à 31 dagen.
3.3.Uitkomen van de jongen :
Na de voorzien broedtijd worden de eitjes aangepikt, meestal ongeveer allemaal tegelijkertijd. Jongen blijven samen met hun moeder in het nest tot ze volledig droog zijn en sterk genoeg om naar beneden te springen vlot hun moeder te volgen.
Ik probeer zoveel mogelijk natuurbroed, waarbij als het goed weer is de ouders samen met hun jongen in een aparte ren gehouden en deze zelf kunnen opkweken.
Enkel als het zeer slecht weer is worden van sommige soorten de jongen apart binnengehouden :
- Mandarijneendjes
- Roodschoudertalingen
- Marmertaling
Bij deze soorten is de moeder niet altijd in staat alle jongen voldoende te beschermen tegen kou en vocht, zodat de kans groot is dat ze bij slecht weer onderkoeld raken en sterven (zeker als ze een groot broedsel van 10 à 12 jongen hebben).
Bij Manenganzen en Chileense smienten is dit nooit een probleem. Met de witwangboomeenden heb ik nog niet genoeg ervaring om dit al te kunnen zeggen.
Soms is het natuurlijk nodig om de jongen apart binnen te houden, op dat moment spelen verschillende factoren een rol :
Jongen moeten leren eten, in de natuur gebeurt dit doordat ze hun moeder nadoen. In de opkweekbak zullen we het zelf moeten leren.
- Water, steeds vers water, maar geen diepe bak omdat jongen zonder moeder niet waterdicht zijn en kunnen verdrinken. Pas als ze wat groter zijn en zichzelf waterdicht kunnen maken via de stuitklier mag de bak wat dieper zijn. (noot : bij mandarijneenden heb ik dit nooit als probleem ervaren, die wippen in en uit de bak zelfs als die vrij diep is... chileense smienten , manenganzen zijn hier allemaal veel gevoeliger aan de eerste week na hun uitkomen).
- Warmte : noodzakelijk, zonder warmte zullen de kuikens niet eten en onderkoeld raken zodat ze binnen de kortste keren sterven. Een degelijke kuikenlamp is dan ook nodig. Zorg ervoor dat de temperatuur onder de lamp rond de 32 graden is de eerste twee weken, nadien mag je de lamp stelselmatig verhogen zodat de temperatuur zakt. Je zal zien dat ze na een tijdje zelf de lamp niet meer opzoeken, tenzij net na hun bad om zich zalig te laten opdrogen.
- Hou er rekening mee dat je dagelijks de bak zult moeten reinigen , eendjes zijn "vuile eters" en zwemwater en omgeving errond begint na een dag al te ruiken naar vocht en uitwerpselen.
Eénmaal ze beginnen in de veren te komen , gaan ze naar een omheind perkje in de tuin zonder lamp waar ze verder kunnen uitgroeien.
In de tuin heb ik speciale afdelingen gemaakt waarin de jongen in alle rust kunnen opgroeien.

3.4. Kortwieken of leewieken :
Als je de eendjes wil houden in een niet overdekt perk, dien je ze te kortwieken of te leewieken. Anders kiezen ze vroeg of laat zeker het luchtruim. Sommige zullen in de buurt blijven, andere trekken vrij snel weg. Ik heb eens het experiment gedaan met een mandarijneendje, eenmaal het goed kon vliegen is het vertrokken en ik heb het nooit weergezien, met een manengansje was het anders verlopen, deze heeft maanden bij de andere eenden vertoeft, vloog af en toe eens rond, maar bleef ter plaatse tot het nieuwe kweekseizoen aanbrak. Dan pas is hij vertrokken.
Kortwieken :
Hiermee wordt bedoeld dat men de grote pennen aan één kant van de vleugels gaat afknippen, zodat de vogel geen mogelijkheid meer heeft tot opstijgen. Dit is pijnloos (zoals haar knippen), maar men loopt het risico dat men niet tijdig de pennen kort knipt en de vogels toch al beginnen vliegen (op dat ogenblik kan men ze nog zeer moeilijk vangen), en men moet het elk jaar na de rui opnieuw doen, want de afgeknipte pennen worden vervangen door nieuwe volwaardige pennen.
Leewieken :
Hierbij gaat men het laatste lid van één van de vleugeltjes amputeren. Dit dient te gebeuren bij zeer jonge vogels (2 tot max 5 dagen).
Door middel van een gloeidraad wordt het laatste lid tot voor de duim weggenomen . Zeer belangrijk om de duim niet mee te nemen, want anders zijn de vogels niet meer geschikt voor tentoonstellingen, maar meer nog , op dat ogenblik creëert men een zwakke plek in de vleugel die gemakkelijk kan gaan bloeden als de vogel zich later op volwassen leeftijd ergens tegenaan schuurt.
Voor het leewieken zijn in de gespecialiseerde dierenwinkel goede apparaatjes beschikbaar waarmee u dit met enige handigheid perfect zelf kunt (er komt geen druppel bloed aan te pas). Men moet echter wel goed weten waar men mee bezig is en eerst bij een ervaren liefhebber "het vak" leren. Indien u dit niet ziet zitten, kan u eventueel afspreken met een bevriend kweker (die het wel kan) om dit voor u te doen, of u wenden tot een gespecialiseerd dierenarts.
Leewiekapparaat :
vooraanzicht zijaanzicht
Leewieken stap voor stap :
A. Eendje juist vasthouden, kop en pootjes tussen de vingers zodat ze niet kunnen losspartelen of zich bezeren aan de hete draad.

B. Plaats bepalen waar het vleugeltje dient ingekort ( net naast het duimpje)

C. Laatste vleugellid effectief verwijderen.

D. Resultaat

3.5. Ringen :
Het is ten zeerste aan te raden je jonge eenden te ringen, op die manier zijn ze steeds individueel te identificeren en is ook de leeftijd geen discussiepunt. Op die ring staat een individueel nummer, het jaartal en de ringmaat.

Ringen kun je bestellen bij een vereniging voor hobbydieren, bvb. Aviornis of een lokale vereniging. (ik ben zelf lid van de neerhofdieren vereniging "De Pajottenlanders" uit Affligem).
Bij het ringen hou je het eendje stevig in de hand, waarbij je één pootje naar achter houdt. De drie naar voor gerichte teentjes neemt men samen , het naar achter gerichte teentje laat men naar achter zodat ze op één lijn komen te liggen en dan schuift men de ring erover. Goed opletten bij het ringen dat ofwel de pootjes nog niet te klein zijn zodat de ring er terug afschuift, ook niet te groot zodat men de ring er niet meer over krijgt. Indien men op het randje van te groot zit, kan een beetje slaolie wonderen doen.
3.6. Geslachtsbepaling :
Eenmaal men jongen heeft en deze wil doorverkopen, ruilen of zelf in zijn collectie opnemen is het natuurlijk belangrijk dat men het juiste geslacht kent.
Bij sommige soorten kan men de jongen vrij snel op kleur herkennen, bvb. roodschoudertalingen zijn eenmaal ze ingepluimd zijn vrij snel te herkennen. Bij Chileense smienten zijn de mannetjes direct al heel wat forser gebouwd dan de vrouwtjes...
Om echter zeker te zijn dient men zijn eendjes te seksen, wat meestal zonder probleem te doen is vanaf een leeftijd van 6 weken.
Hoe doet men dit ?
Men neemt het eendje omgekeerd vast en duwt de staart lichtjes naar achter, waarbij je met je twee duimen de cloaca of geslachtsopenining gaat open duwen. Bij de mannetjes komt er dan vrij snel een klein penisje naar buiten , terwijl er bij de vrouwtjes natuurlijk niets te voorschijn komt. Indien de jongen heel erg tegenspruttelen en totaal verkrampen bestaat de mogelijkheid dat men zich vergist, doordat de mannetjes hun penisje "binnen " houden op dat ogenblik. Anders kan men met 100% zekerheid de geslachten bepalen.
 |